Nieuws

Heleen Edens voltooit onderzoek naar mobiliteitsbehoeften in kleine kernen

TransTec collega Heleen Edens heeft haar master Planologie aan de Universiteit Utrecht afgerond met een studie naar de vraag naar OV in kleine kernen. 

 

In Nederland zijn er circa 1400 kleine kernen (inwoneraantal < 2000). In veel kernen vindt er bevolkingskrimp plaats, dat invloed heeft op de mobiliteit van de inwoners. In de eerste plaats neemt het aantal verkeersdeelnemers af. Daarnaast veranderen de verplaatsingsmotieven. Door vergrijzing zijn er meer ouderen die een ander activiteitenpatroon hebben dan jongeren: er vindt een verschuiving plaats van woon-werk verkeer naar recreatief verkeer. Voorzieningen verdwijnen uit kleine kernen doordat het draagvlak afneemt. Dit is voor de meeste inwoners geen probleem, omdat zij beschikken over een auto. Inwoners zullen langere afstanden moeten afleggen om voorzieningen te bereiken. Er is echter een groep inwoners die afhankelijk is van het openbaar vervoer en in de problemen raakt wanneer ook het openbaar vervoer verdwijnt uit deze kleine kernen.

 

Het openbaar vervoer in Nederland is een aanbodgericht systeem. De subsidie van de rijksoverheid heeft een grote invloed op het aanbod van openbaar vervoersdiensten. De afgelopen jaren groeit de subsidie echter niet evenredig mee met de kostenstijgingen in het openbaar vervoer. Provincies moeten prioriteiten stellen en bezuinigen op het openbaar vervoer. Er wordt als eerste gesneden in het openbaar vervoeraanbod in gebieden waar dit het minst rendabel is en het sterkst afhankelijk is van subsidies. Dit betreft veelal de dunbevolkte gebieden en kleine kernen. Dat neemt niet weg dat er vraag naar openbaar vervoer is op deze plekken. Er wordt ook wel gesproken over ‘de onderkant van de markt’, daar waar een (beperkte) behoefte is aan OV-voorzieningen, maar waar die niet of nauwelijks wordt geboden. 

 

Het doel van het onderzoek is om in kaart te brengen welke mobiliteitsbehoeften er zijn onder de bewoners in kleine kernen, welke mobiliteitsvraag er specifiek voor het openbaar vervoer is en hoe OV-beleid en RO-beleid een bijdrage kunnen leveren aan een oplossing voor deze behoeften. 

 

Resultaten 

Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat de meeste inwoners geen problemen hebben om in hun mobiliteitsbehoeften te voorzien. Er is een kleine groep (13%) waarbij niet altijd kan worden voldaan aan de mobiliteitsbehoeften. Het zijn voornamelijk de activiteiten gericht op het bevredigen van sociale en recreatieve behoeften die niet uitgevoerd kunnen worden, omdat er een vervoermiddel ontbreekt. 

 

Er is maar een klein percentage van respondenten (4,5%) afhankelijk van het openbaar vervoer. Veel respondenten redden zichzelf. De groep die afhankelijk is van het openbaar vervoer bestaat voornamelijk uit jongeren (scholieren) en niet uit de ouderen. Door vergrijzing en ontgroening onder de inwoners van de kleine kernen is de verwachting dat de groep jongeren zal gaan afnemen. Hierdoor zal de vraag naar het openbaar vervoer verder afnemen. Over de aspecten van kleinschalige initiatieven zijn de meningen verdeeld. Maar ouderen staan over het algemeen positiever tegenover kleinschalige initiatieven dan jongere respondenten. 

 

Conclusie en aanbevelingen

De vraag naar openbaar vervoer is op dit moment zeer klein. Het gebruik van het huidige openbaar vervoer zal niet toenemen, en met het huidige beleid zal het eerder afnemen waardoor het voor inwoners nog minder aantrekkelijk wordt om er gebruik van te (gaan) maken. Alleen inwoners die geen alternatief hebben (voornamelijk scholieren), zullen gebruik (blijven) maken van het openbaar vervoer. 

 

De vraag naar het openbaar vervoer zal de komende jaren nog aan verandering onderhevig zijn doordat de bevolking krimpt in veel kleine kernen. Oplossingen zullen daarom vooral moeten worden gezocht binnen het openbaar vervoerbeleid, omdat deze op korte termijn kunnen worden geïmplementeerd. Op deze manier kan er flexibel worden ingespeeld op de vraag. Door middel van kleinschalige initiatieven kan maatwerk worden geleverd. Er is een verschuiving zichtbaar van een aanbodgericht systeem naar een vraagafhankelijk systeem. Voor het aanpakken van de gehele krimpproblematiek is er wel een integrale planning noodzakelijk (combinatie van facet- en sector planning), omdat krimp een structureel karakter heeft. Het activiteitenpatroon en bijhorende verplaatsingsgedrag van personen is niet gebonden aan eenduidige territoriale grenzen en daarnaast kunnen er op deze manier schaalvoordelen behaald worden.

 

 

U las een samenvatting van het rapport ‘Mobiliteitsbehoeften van inwoners in kleine kernen’.